Inleiding – Deel I

Deze inleiding maakt duidelijk wat de functie is van het werkboek en wat er van jou wordt gevraagd. Het tekstboek geeft het denkkader, maar pas door het daadwerkelijk doen van de oefeningen krijgt dat kader betekenis. Inzicht alleen is niet voldoende. Het gaat om training, niet om begrip vooraf.
Het werkboek is bedoeld om je denkgeest stap voor stap in een andere richting te leren kijken. Dat gebeurt via eenvoudige oefeningen die weinig tijd kosten en overal kunnen worden gedaan. Er is geen voorbereiding nodig en je doet steeds één les per dag. Het ritme is rustig, consequent en overzichtelijk.
De training verloopt in twee fasen. Eerst leer je loskomen van de manier waarop je nu kijkt. Daarna groeit een andere, ruimere waarneming. Elke les draait om één centraal idee dat je oefent volgens duidelijke aanwijzingen. Niet om het perfect te doen, maar om het toe te passen.
Wat belangrijk is, is dat je geen uitzonderingen maakt. De oefeningen zijn bedoeld voor alles en iedereen, zonder selectie. Zodra je iets buiten de oefening houdt, stokt het proces. Ware waarneming kent geen grenzen en werkt alleen wanneer ze overal wordt toegelaten.
Je hoeft de ideeën niet te begrijpen, niet te geloven en niet prettig te vinden. Twijfel, weerstand of ongemak horen erbij en vormen geen belemmering. Het enige wat gevraagd wordt, is dat je de oefeningen gebruikt zoals ze worden aangereikt. Door dat gebruik krijgt de inhoud vanzelf betekenis.
Dit werk vraagt geen inspanning van wilskracht, maar bereidheid. De oefeningen doen het werk. Jij hoeft alleen mee te bewegen.